Velduil – Asio flammeus

De velduil is een grote uil met doordringende ogen en lange vleugels.
Deze behoort tot de familie van de echte uilen, Strigidae.
De velduil is een zeer schaarse broedvogel, die het hele jaar door waargenomen kan
worden en wordt gerekend tot de groep Jaarvogels.
Uiterlijke kenmerken
Alle uilen uit het geslacht Asio hebben veertjes op de kop, de zogenaamde oorpluimpjes, waardoor ze
op een ransuil lijken, alleen zijn de veertjes van de velduil korter.
Ze hebben grote felgele ogen en een ronde gezichtssluier.
Het verenkleed is overwegend licht geelbruin met aan de bovenzijde een grof patroon van
donkerbruine vlekken. De buik en onderzijde van de vleugels zijn witachtig geel
Leefgebied
Velduilen hebben een groot verspreidingsgebied en komen vrijwel overal ter wereld voor.
De Noordelijke populaties zijn trekvogels die in de winterperiode vanuit Noordoost-Europa
naar het Zuiden en Zuidwesten trekken.
Ze kunnen zich in veel verschillende leefgebieden vestigen.
Zoals op open terreinen met lage vegetatie en dekkingsmogelijkheden, in moerassige
laagten met verlandingszones, in veengebieden en in de duinen met vochtige plaatsen.
Leefwijze
Ze leiden in alle seizoenen een nomadisch bestaan, het zijn zogenaamde zwervers die enorme
afstanden af kunnen leggen. Ze blijven waar de omstandigheden geschikt zijn, waar er
voldoende voedsel en veiligheid is.
Ze jagen in tegenstelling tot andere uilen overdag, laag bij de grond. Hun voedsel bestaat
voornamelijk uit woel-, veld- en aardmuizen. Als deze onvoldoende beschikbaar zijn, gaan
ze over op kleine zoogdieren en vogels.
Voortplanting
Het is een zeer schaarse broedvogel. Ze maken hun nest op de grond, de legperiode is
tussen half april en begin juni. Ze leggen gemiddeld zeven tot tien eieren.
De jongen verspreiden zich twee weken nadat ze uit het ei zijn gekomen over de omgeving.
Bronvermelding: Vogelbescherming, Wikipedia
Foto: Willem van Beest
Grote beer – Arctia Caja

Het is een vrij algemeen voorkomende nachtactieve nachtvlinder uit de familie van de Spinneruilen.
Kenmerken
De spanwijdte is 50 – 75 mm.
De kleur van de bovenvleugels zijn bruin met witte banden.
De ondervleugels zijn rood met blauwzwarte vrij grote stippen.
De naam van de vlinder verwijst naar de rups waarvan de vacht uit veel vrij lange haren bestaat.
De rups is tot 60 mm lang, bruinachtig zwart van kleur en heeft zwarte haren met grijsachtige witte uiteinden.
Leefwijze
Zijn habitat bestaat uit open duin, open bos, vochtig grasland, moeras, oevers, parken en tuinen.
De vliegtijd is van laat juni t/m augustus in één generatie per jaar.
De rups heeft geen specifieke waardplant maar in vochtige gebieden heeft hij wel voorkeur
voor waterzuring en kruiskruidachtigen.
Ze overwinteren als jonge rups.
In het voorjaar worden ze vaak zonnend of foeragerend gezien als ze volgroeid zijn.
Ze kunnen opvallend snel lopen als ze op zoek zijn naar een plek om te verpoppen.
Helaas staat de grote beer in Nederland als gevoelig op de Rode lijst.
Bronvermelding: Vlinderstichting, Wikipedia
Foto: Paul Kersten
Rood guichelheil – Anagallis arvensis

Een eenjarig plant uit de sleutelbloemfamilie – Primulaceae, één van de weinige planten uit
Noord–Europa die scharlakenrode bloemen heeft.
Beschrijving
De plant wordt tussen de 6 en 30 cm hoog, groeit op akkers, langs paden en zo ook in moestuinen.
De stengels liggen op de bodem maar ze wortelen niet op de stengelknopen.
Ze hebben dus een wortelstelsel zonder bijwortels.
Het is geen woekeraar waardoor deze gewoon kan blijven staan.
De bloemetjes van 1 cm doorsnee hebben vijf regelmatige scharlakenrode kroonbladeren
en groeien op een vrij korte stengel in de oksel van het blad.
De stengel is vierkant met daaraan eveneens kleine bladeren van ongeveer 1 cm in
doorsnee die recht tegenover staan.
Bronvermelding: Flora van Nederland, Wikipedia
Foto: Angela Mundi
Gewone huisspin – Eratigena atrica

Het is een kleiner familielid van de grote huisspin en behoort tot de familie van de
trechterspinnen, die in Europa voorkomen.
Kenmerken
De spinnen zijn hoofdzakelijk bruin gekleurd. Op het borststuk zitten drie lichte vlekken aan
beide zijden, dezelfde markering zit op het achterlijf alleen zijn het er dan zes.
Grootte, lijf vrouwtje, 10–14 mm, de poten kunnen 45 mm lang worden
Grootte, lijf mannetje, 11-16 mm, de poten kunnen 54 mm worden.
Ze kunnen naar gelang de omstandigheden meerdere jaren oud worden.
De mannetjes sterven in het najaar wanneer ze volwassen zijn geworden.
Ze maken een wat rommelig trechtervormig web op moeilijk bereikbare plaatsen.
Overdag zit de spin in de buisvormige trechter en ’s nachts op het web.
Ze vangen vliegende- of kruipende insecten en ongewervelden met hun web.
Ze leven in en rond huizen, bossen en grotten.
Voortplanting
In april, mei en juni zijn er alleen de vrouwtjes, tijdens deze periode leggen ze twee eitjes in
twee tot acht zakjes.
Na 21 dagen komen deze uit en dan na 9 keer vervellen zijn de meeste volwassen.
De paartijd is van augustus tot oktober, dan zijn er immers weer mannetjes.
De vrouwelijke huisspinnen verspreiden geurstoffen dat mannetjes oppikken, zo kan het
gebeuren dan mannetjes tijdens een zoektocht in een badkuip terecht komen en door de
gladde wand er niet meer uitkomen.
Na de paring eet het vrouwtje het mannetje niet op zoals bij sommige andere
spinnensoorten wel gebeurt.
Vooraf loopt het mannetje vooral gevaar als het vrouwtje agressief is of honger heeft en
daarom het mannetje gaat opeten.
Ze jagen mensen angst aan doordat ze vrij groot zijn, onverwachts tevoorschijn komen en
ook nog hard kunnen lopen maar ze zijn absoluut ongevaarlijk voor de mens.
Bronvermelding: Natuurpunt België, Wikipedia, Waarnemingen.nl
Foto: Laurens van der Linde
Met dank aan onze moderator, Ingrid, voor de samenstelling van de nieuwsbrief